Overheid laat niet-vakbondsleden langer wachten op tijdelijke werkloosheidsuitkering

8 april 2020, over deze onderwerpen: Uitkeringen, Coronacrisis

Niet alle mensen die tijdelijk werkloos zijn, krijgen hun vervangingsinkomen op tijd uitbetaald. “Heel wat mensen die hun uitkering van de Hulpkas Voor Werkloosheidsuitkeringen moeten krijgen, hebben voor de maand maart nog altijd geen uitkering ontvangen, terwijl zij die aangesloten zijn bij een vakbond het geld al op 2 april op hun rekening zagen verschijnen. Elke tijdelijke werkloze moet zijn huur op tijd betalen. Het is onaanvaardbaar dat de overheid dit voor heel wat niet-gesyndiceerden onmogelijk maakt”, zegt Kamerlid Björn Anseeuw, die minister Muylle vandaag hierover heeft ondervraagd in De Kamer.

Het is een goede zaak dat er een versoepeling is voor de regeling van tijdelijke werkloosheid, op die manier kan er snel gehandeld worden tijdens deze crisis. Maar vandaag blijkt dat er grote verschillen zijn in het tempo van de uitbetaling van het vervangingsinkomen. Wie niet is aangesloten bij een vakbond kan voor de uitbetaling van een werkloosheidsuitkering terecht bij een overheidsinstelling: de Hulpkas Voor Werkloosheidsuitkeringen. Alleen is het daar flink langer wachten op een uitbetaling.

Overheid trager dan vakbond
De Hulpkas Voor Werkloosheidsuitkeringen, een overheidsinstelling, wordt mee beheerd door de vakbonden. Tegelijk hebben die vakbonden zelf baat bij laattijdige uitbetalingen door de Hulpkas. Zo kunnen ze werklozen er alsnog van overtuigen om, in ruil voor een snellere uitbetaling van hun uitkering, toch lid te worden van de vakbond.

“Het is onaanvaardbaar dat mensen die ervoor kiezen om niet aan te sluiten bij een vakbond gestraft worden voor deze vrije keuze. Ook zij moeten op tijd hun rekeningen kunnen betalen. Ook zij hebben dus recht op een tijdige uitbetaling van hun vervangingsinkomen. Dat de overheid er zelf voor zorgt dat tijdelijke werklozen, die elke euro goed kunnen gebruiken, in financiële problemen komen, kan echt niet”, besluit Björn Anseeuw.