Nieuw Europees auteursrecht brengt vrij internet in gevaar

26 maart 2019, over deze onderwerpen: Europees beleid

Filmpjes, cartoons en ander creatief materiaal moeten eerst gescreend worden en pas dan kunnen ze online. Dat heeft het Europees Parlement zonet beslist. De goedkeuring van het hervormde Europese auteursrecht is het eindpunt van jarenlange discussie. De controversiële artikels 11 en 13 zijn nu wetgeving.

Europarlementslid Anneleen Van Bossuyt is niet verrast, wel teleurgesteld: “Het verplichte filtersysteem is een moderne censuurmachine. Massa’s filmpjes krijgen we voortaan niet meer te zien want de filters zijn niet in staat uitzonderingen op het auteursrecht, zoals parodieën, te herkennen en zullen ze uit voorzorg tegenhouden. Een schat aan creativiteit gaat op die manier verloren. Zo komt niet alleen het vrije internet, maar ook de vrije meningsuiting ernstig in het gedrang.”

Het tweede artikel dat voor felle discussies heeft gezorgd, is het nieuwe uitgeversrecht (artikel 11). Online nieuwsverzamelaars moeten vergoedingen betalen aan persuitgevers voor het gebruik van verwijzingen naar originele artikels die elders op het internet vrij beschikbaar zijn. Dit is vooral voor nieuwsverzamelaars een zware financiële opdoffer. In Spanje en Duitsland heeft het gebruik van zulke systemen al tot verschillende faillissementen geleid. “Laagdrempelige toegang tot nieuws, feiten en bronnen moet gefaciliteerd worden, niet beknot. Het vrij internet staat ook hier op het spel”, reageert Van Bossuyt.

De nieuwe regels voorzien wel uitzonderingen voor kleine bedrijven, maar die zijn alles behalve voldoende. Van Bossuyt: “Het fundamentele probleem met deze nieuwe wetgeving is dat ze volledig op maat van grote Amerikaanse bedrijven geschreven is. De tegemoetkomingen aan kleine bedrijven zijn zodanig eng geformuleerd dat de meeste uit de boot vallen. Daarbij komt nog het concurrentienadeel voor Europese ondernemingen, want de kans is groot dat de noodzakelijke filtertechnologie van Amerikaanse makelij zal zijn.”

Los van al deze concrete punten, is de tekst ook veel te vaag en laat ze te veel ruimte voor interpretatie. “Dit is geen voorbeeld van goede wetgeving. Op veel punten creëert ze nog meer onduidelijkheid dan er al was. Zo zou het uitgeversrecht niet van toepassing zijn op korte stukken uit perspublicaties, maar nergens valt te lezen wat dit precies betekent. Een aantal woorden, een zin, enkele zinnen, een alinea? En wat is een correcte vergoeding? Of nog: mag je op reis nog een openbaar gebouw fotograferen en op Facebook plaatsen? Veel vragen, weinig antwoorden. Dit kon allemaal veel beter”, besluit Van Bossuyt.