Nieuw Europees auteursrecht brengt vrij internet in gevaar

22 maart 2019, over deze onderwerpen: Europees beleid, Technologie

Volgende week is een cruciale week voor de internetvrijheid. De Europese Parlementsleden zullen stemmen over een tekst die het auteursrecht wil moderniseren. De inzet is groot: willen we vrij internet zonder uploadfilters of zetten we de deur open voor censuur? Europarlementslid Anneleen Van Bossuyt is duidelijk: “Auteurs moeten correct vergoed worden, maar deze wetgeving zal daar niet voor zorgen. Wel legt ze de vrijheid van internet aan banden en belet ze de laagdrempelige toegang tot informatie.”

Het Europees auteursrecht is al enige tijd voorwerp van pittige discussies. Twee elementen uit de voorliggende tekst liggen aan de basis. Het eerste is de verplichte filtering van uploads op mediaplatforms zoals YouTube, het zogenaamde artikel 13. Dat betekent dat alle filmpjes een filtertest moeten doorstaan om uit te maken of ze auteursrechtelijk beschermd zijn. Pas daarna kunnen ze online. Volgens Van Bossuyt is dit niet mogelijk zonder aan censuur te doen: “Computersystemen kunnen geen oordeel vellen over een specifieke context. Ze kunnen ook geen parodieën herkennen of memes begrijpen. Doen ze dit toch, dan zal het ten koste zijn van massa’s filmpjes. Zo komt niet alleen het vrije internet, maar ook de vrije meningsuiting ernstig in het gedrang.”

Het tweede element dat zorgen baart, is het nieuwe uitgeversrecht in artikel 11. Online nieuwsverzamelaars moeten vergoedingen betalen aan persuitgevers voor het gebruik van verwijzingen naar originele artikels die elders op het internet vrij beschikbaar zijn. Dit is vooral voor nieuwsverzamelaars een zware financiële opdoffer. In Spanje en Duitsland heeft het gebruik van zulke systemen al tot verschillende faillissementen geleid. “Laagdrempelige toegang tot nieuws, feiten en bronnen moet gefaciliteerd worden, niet beknot. Het vrij internet staat ook hier op het spel”, reageert Van Bossuyt.

De nieuwe regels voorzien wel uitzonderingen voor kleine bedrijven, maar die zijn ver van voldoende. Van Bossuyt: “Het fundamentele probleem met deze nieuwe wetgeving is dat ze volledig op maat van grote Amerikaanse bedrijven geschreven is. De tegemoetkomingen aan kleine bedrijven zijn zodanig eng geformuleerd dat de meeste uit de boot vallen. Daarbij komt nog het concurrentienadeel voor Europese ondernemingen, want de kans is groot dat de noodzakelijke filtertechnologie van Amerikaanse makelij zal zijn.”

Los van al deze concrete punten, is de tekst ook veel te vaag en laat ze te veel ruimte voor interpretatie. “Dit is geen voorbeeld van goede wetgeving. Op veel punten creëert ze nog meer onduidelijkheid dan er al was. Zo zou het uitgeversrecht niet van toepassing zijn op korte stukken uit perspublicaties, maar nergens valt te lezen wat dit precies betekent. Een aantal woorden, een zin, enkele zinnen, een alinea? En wat is een correcte vergoeding? Of nog: mag je op reis nog een openbaar gebouw fotograferen en op Facebook plaatsen? Veel vragen, weinig antwoorden. Dit kon allemaal veel beter”, besluit Van Bossuyt.