N-VA wil minimale arbeidsduur afschaffen

7 juni 2018, over deze onderwerpen: Economie, Werken

Er bestaat in ons arbeidsrecht een “minimale arbeidsduur”. Anders gezegd, er is wettelijk bepaald hoeveel uren een werknemer minimaal moet presteren vooraleer je van “arbeiden” kan spreken. Maar de samenleving anno 2018 ziet er helemaal anders uit dan toen die wetgeving werd gemaakt. Vandaag werken mensen een pak flexibeler en is de regeling rond de “minimale arbeidsduur” achterhaald.

Onderstaande regels gelden nu:

  1. de wekelijkse arbeidsduur mag niet lager liggen dan een derde van de arbeid van een voltijds tewerkgestelde
  2. de minimale duur van elke werkperiode mag niet korter zijn dan drie uren.

Beide verplichtingen zijn volgens ons niet meer van deze tijd.

Kamerlid Wim Van der Donckt: “De huidige ontwikkelingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt, namelijk de toenemende vraag van de werknemers en de bedrijven om flexibel, vrij en zelfstandig de arbeidsuren te bepalen, maken de wekelijkse en dagelijkse minimumprestaties overbodig. Zo kan een thuisblijvende ouder op basis van zijn dagtaak genoegen nemen met het presteren van 2 werkuren en aldus opteren om minder dan 3 uren te werken. Of kan een bedrijf dat op bepaalde tijdstippen van de dag een arbeidspiek heeft, nood hebben aan een arbeidskracht die minder dan 3 uren per dag werkt.” Probleem is dat potentiële en flexibele werknemers door de huidige regelgeving uit de arbeidsmarkt geduwd worden. Een modernisering is dus broodnodig.

Wim Van der Donckt: “Minder dan 3 uur per dag werken of minder dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van een voltijdse werknemer arbeiden, past perfect in het plaatje van werkbaar werk op maat. Zo kunnen senioren via de afschaffing van de minimale arbeidsduur enkele uren per week actief blijven en hun pensioen op deze wijze verhogen. Zo kunnen ouders die vooral bezig zijn met de zorg voor jonge kinderen, een beperkt aantal werkuren presteren en later - wanneer de kinderen groot zijn - gemakkelijker de “werkdraad” weer opnemen. De voornoemde afschaffing zorgt dus voor een soepelere intrede van diverse kansengroepen op de arbeidsmarkt en voor een lagere instapdrempel. Tegelijkertijd fungeert de afschaffing als een mogelijke opstap naar meer arbeidsuren. De opheffing van voorschriften inzake de arbeidsminimumduur zal ongetwijfeld ook bijdragen tot een hogere activiteits- en werkgelegenheidsgraad zoals in Nederland, Duitsland en Zweden.”

De Europese Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, de Nederlandse Arbeidstijdenwet van 23 november 1995, het Duitse Arbeitszeitgesetz van 6 juni 1994 en de Zweedse Arbeidstijdenwet bevatten geen dagelijkse of wekelijkse te respecteren arbeidsminimumduur. Vermits Europa en deze landen geen arbeidsminimumduur vooropstellen, kunnen we ons afvragen waarom de voornoemde Belgische regels nog van kracht moeten zijn?

“Om ook onze potentiële werkkrachten die kans op flexibel werk te bieden en aan te knopen met de buurlanden, dien ik een wetsvoorstel in om de minimale arbeidsduur af te schaffen”, besluit Wim Van der Donckt.