Dalende resultaten PISA drukken ons met de neus op de feiten

3 december 2019, over deze onderwerpen: Kleuterschool en basisonderwijs

In het nieuwe PISA-onderzoek blijkt een duidelijke achteruitgang bij onze Vlaamse leerlingen. En dit voor leesvaardigheid (begrijpend lezen), wiskunde en wetenschappelijke geletterdheid. Volksvertegenwoordigers Annabel Tavernier en Koen Daniëls: “Deze resultaten drukken ons andermaal met de neus op de feiten. We moeten dit zeer ernstig nemen en nog meer inzetten op de kennis van het Nederlands. Ook moeten we ons wiskunde-onderricht onder de loep nemen en durven bijsturen.”

Het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA) is een driejaarlijkse internationale studie die al sinds 2000 de wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid en de leesvaardigheid test bij de 15-jarigen in 79 landen en wordt uitgevoerd in opdracht van de OESO De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), opgericht in 1961 als uitvloeisel van het Marshallplan, is een samenwerkingsverband van 34 landen om sociaal en economisch beleid te bestuderen en te coördineren. De aangesloten landen proberen hun gezamenlijke problemen op te lossen en hun internationaal beleid onderling af te stemmen. Om vergelijkende analyses te doen, verzamelt de organisatie ook statistische informatie. Die OESO-analyses zijn voor de N-VA een waardevolle basis om het beleid aan af te toetsen of het zelf mee vorm te geven. OESO . Specifiek over leesvaardigheid werden ook de resultaten bekend gemaakt van het vervolgonderzoek op de eerdere Progress in International Reading Literacy Study (PIRLS) uit 2016. Het werd uitgevoerd bij identiek dezelfde groep leerlingen, die op dat moment dus in het 6de leerjaar zaten.

Leesvaardigheid: 1 op 5 van de Vlaamse leerlingen haalt het minimumniveau niet
Vlaams parlementslid Annabel Tavernier vindt het vervolgonderzoek een goede zaak: “Door PIRLS Repeat weten we dat de dalende trend zich helaas verderzet. Vlaanderen hinkt achterop op vlak van begrijpend lezen en moet een grote groep toplanden laten voorgaan.” Tavernier vindt in dit opzicht dat minister Weyts terecht een sterke kennis van het Nederlands als rode draad doorheen zijn beleid hanteert. Uit het onderzoek blijkt immers dat de prestaties in Vlaanderen meer dan elders verklaard worden door achtergrondkenmerken zoals thuistaal en migratie. “Met zijn beleid erkent de minister duidelijk dat het Nederlands de fundering vormt waarop alle andere vormen van leren steunen. Hij scherpt bovendien de eindtermen aan, onder meer door ‘begrijpend lezen’ in de toekomst expliciet op te nemen.”

PIRLS Repeat toont tevens aan dat het leesplezier en -motivatie onder de leerlingen verder afneemt tussen het vierde en het zesde leerjaar. Tavernier vindt dit niet helemaal onlogisch: “Wie iets niet goed kan, doet het meestal ook niet graag. Tijd dus om het roer grondig om te gooien en lezen opnieuw ‘hip’ te maken, nét door in te zetten op de technische leesvaardigheid van kinderen en zo het leesplezier te vergroten.”

Wiskunde: aandeel toppresteerders op 15 jaar tijd gehalveerd
Ook voor wiskunde doen we het slecht, stelt parlementslid Koen Daniëls vast. Het aandeel toppresteerders wiskunde is op 15 jaar tijd zelfs gehalveerd én die trend wordt niet wordt omgebogen. “We halen niet meer het maximum uit onze leerlingen. We moeten grondig bestuderen hoe wiskunde werd onderricht in Vlaanderen vóór 2003 – toen de scores nog top waren. En hoe doen ze het in in landen waar de scores wel top blijven? Welke leerstof werd en wordt gevraagd door de overheid en hoe werd die aangeboden (boeken, leerplannen, pedagogisch beleid, ... )? En hoe wijzigde dit de laatste jaren? Er moet daarbij zeker niet enkel naar de leerkracht of de overheid gekeken worden, maar ook naar de scholen en koepelstructuren.”

Internationale onderzoeken zoals PISA zijn ook belangrijk om onze internationale positie te zien. “Het is nu belangrijk om snel werk te maken van gestandaardiseerde en genormeerde leerwinstproeven die we willen invoeren met deze regering. Meten is weten. Zo kunnen nog korter op de bal spelen en de leerwinst bij leerlingen in kaart te brengen, en daarmee kunnen we het beleid van alle betrokken onderwijsactoren evalueren. Bij de ontwikkeling van de nieuwe eindtermen voor het lager onderwijs en de tweede en derde graad van het secundair onderwijs, zullen we dan ook die onderdelen concreet op moeten nemen die onze leerlingen klaarblijkelijk niet beheersen. Zo garanderen we voor alle leerlingen een sterke basis”, aldus nog Daniëls.