Woensdag organiseerden de vakbonden alweer een nationale staking. Tijdens deze regeerperiode is er immers al heel vaak gestaakt, helaas. Al zien we wel opvallende verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië, met respectievelijk 39 versus 110 stakingsdagen per werknemer. Maar ook die 39 betreur ik.

De voorbije jaren zou er volgens de vakbonden een “sociaal afbraakbeleid” gevoerd zijn. Zelfs “pure horror”. De ongelijkheid zou ook zijn toegenomen: “de rijken worden almaar rijker, de armen almaar armer”. Dit soort uitspraken nemen veel journalisten en opiniemakers vaak zelfs over alsof het vaststaande feiten betreft. Wordt het eens geen tijd voor een fact check? Want mocht dit allemaal waar zijn, ik zou me als verantwoordelijk politicus medeschuldig voelen en nog nauwelijks een oog dicht doen. Wat zijn nu de feiten?

In 2018 bedroegen de sociale uitgaven in dit land maar liefst 28,9% van het BBP (cijfers OESO). Van alle industrielanden heeft alleen Frankrijk een nog hoger percentage. In 2015 was dit in België nog 26,7%, dus met deze Zweedse regeringen is dit percentage de voorbije jaren nog gestegen.

De ongelijkheid wordt vaak gemeten met de zogenaamde gini-coëfficiënt, die varieert van 0 voor absolute gelijkheid tot 1 voor absolute ongelijkheid. Voor 2017 kwam die indicator voor België uit op 0,26 en voor het Vlaams Gewest zelfs op 0,24. Daarmee is België één van de minst ongelijke landen van Europa. Het Vlaams Gewest moet enkel Slovakije (0,23) en Slovenië (0,24) laten voorgaan. Bovendien neemt die ongelijkheid ook helemaal niet toe. Sinds 2013 bleef die stabiel en dit na een eerdere daling, terwijl de inkomensongelijkheid in de (zeer sociale) Scandinavische landen de laatste jaren wel lichtjes is toegenomen.

Een andere graadmeter voor de inkomensongelijkheid is de “inkomensquintielverhouding” of de verhouding tussen het inkomen van de 20% rijksten en de 20% armsten. In 2017 bedroeg die verhouding in België 3,8 en in Vlaanderen 3,5. D.w.z. dat in Vlaanderen het inkomen van de 20% rijksten gemiddeld 3,5 keer hoger was in 2017 dan dat van de 20% armsten. Sinds 2004 is deze verhouding nagenoeg stabiel gebleven en schommelde steeds tussen 3,4 en 3,7. Bovendien is deze verhouding een van de laagste van Europa, samen met landen als Tsjechië (3,4), Slovenië (3,4), Slovakije (3,5) en Finland (3,5), in contrast met bv. Bulgarije (8,2), Litouwen (7,3) en Spanje (6,6).

Zijn er werkelijk zoveel “working poor” als de vakbonden beweren? Volgens Eurostat loopt 3,8% van de Belgische werknemers een risico op armoede. Op Finland en Tsjechië na is dat het laagste cijfer in Europa, het gemiddelde in de eurozone is 7,8%. De waarheid is dat het armoederisico zich vooral manifesteert bij niet-werkenden. Net daarom dat deze regeringen zo zwaar ingezet hebben op “jobs, jobs, jobs”. Maar liefst 260.000 jobs zijn er deze regeerperiode bijgekomen. Het grootste deel daarvan in Vlaanderen, waardoor onze werkzaamheidsgraad gestegen is van 71,9% in 2014 naar 75,4% eind 2018. En de taks shift, die de Vlaamse Regering voor 25% financiert, heeft bovendien het netto-inkomen van al wie werkt, stevig verhoogd en dit het meest voor de mensen met een laag loon.

Is er dan geen sociaal beleid gevoerd voor leefloners en gepensioneerden? Ook hier zijn er toch opvallende cijfers: tussen 2014 en 2018 heeft de federale regering de sociale minima verhoogd met 11,4% voor alleenstaanden en samenwonenden en 15,1% voor gezinshoofden. Dit is dubbel zo sterk dan de regering Di Rupo, die tussen 2011 en 2014 de sociale minima slechts met 5,3% à 6,1% verhoogde.

Onderzoek van prof. Decoster (KU Leuven) heeft uitgewezen dat de koopkracht van onze gezinnen tussen 2014 en 2020 stijgt met gemiddeld 5,2%. Bij de laagste inkomensdecielen is dat 3 à 4%, bij de meeste werkende mensen 6 tot 7%. Het reëel beschikbaar inkomen stijgt als gevolg van het regeringsbeleid, met inbegrip van de toegenomen levensduurte (inflatie), de hogere accijnzen op diesel, de hogere BTW op elektriciteit etc. Het is dus absoluut niet juist dat deze prijsverhogingen de voordelen van de belastingverlagingen en de verhoging van de uitkeringen teniet doen, zoals vaak beweerd wordt. De Nationale Bank voorspelt trouwens een stijging van de koopkracht met in totaal 5% in de periode 2019-2021.

Is er dan geen armoede of armoederisico in dit land? Uiteraard wel. Maar ook de cijfers voor de armoederisicodrempel schommelen al meer dan 10 jaar op hetzelfde niveau: voor België rond de 15% en voor Vlaanderen rond de 10%. Dit is, voor alle duidelijkheid, niet het aantal mensen dat in armoede leeft (zoals vaak foutief beweerd wordt), maar wel het aantal mensen dat het risico loopt om in armoede terecht te komen. Willen we dat cijfer naar beneden krijgen? Uiteraard! Maar beweren dat de armoede of het armoederisico toeneemt in dit land, is gewoon manifest onjuist en al zeker in Vlaanderen waar we een pak beter scoren dan het Belgische gemiddelde. Bovendien is reeds aangetoond dat onze hervorming van de kinderbijslag, die sinds januari in werking is gegaan, het armoederisico in Vlaanderen op niveau van het kind met 15% zal doen dalen (van 9,9% naar 8,4%).

We zijn in Vlaanderen overigens niet alleen sociaal op het vlak van kinderbijslag. In het onderwijs geven we schooltoelagen in het kleuter, lager en secundair onderwijs en studietoelagen in het hoger onderwijs. Beursstudenten krijgen een korting van bijna 90% op het inschrijvingsgeld. Op de waterfactuur is er een korting van 80%. 280.000 gezinnen met een sociaal tarief zijn vrijgesteld van de Energieheffing. Er zijn zeer goedkope sociale tarieven voor abonnementen van De Lijn. Er is een lager tarief voor de premie van de zorgverzekering. Er zijn sociale tarieven voor kinderopvang. En dan zwijg ik nog over de vele miljarden die we, méér dan elke Vlaamse Regering voor ons, hebben uitgetrokken voor de bouw van sociale woningen en voor sociale leningen. Pure horror?

Wil ik met al deze cijfers zeggen dat er geen enkel probleem is? Uiteraard niet. Elke arme is er voor mij één te veel en we moeten blijven werken aan een warm en sociaal Vlaanderen. Ik wil enkel aantonen dat we in dit land, en zeker in Vlaanderen, een heel sociale samenleving hebben, wat enkel mogelijk is met een sterke economie. Sterk en sociaal, dat is mijn motto. De huidige centrumrechtse regeringen hebben absoluut geen achteruitgang betekend op sociaal vlak, wel integendeel. Als vakbonden dit beleid “pure horror” noemen, kan ik dat helaas niet anders omschrijven dan leugenachtig populisme. De waarheid heeft haar rechten.

 

Geert Bourgeois

Vlaams minister-president