Naar dat laatste gaat wat minder aandacht. Evident: het is technische materie. Maar niet minder essentieel. Dat bleek ook tijdens de hoorzittingen over fiscaliteit en fiscale autonomie van de Werkgroep Institutionele Zaken van het Vlaams Parlement, waarvan vorige week maandag het slotdebat plaats vond. Experts als Nicole Plets, Geert Jennes, Herman Matthijs, Koen Algoed en Dirk Heremans stonden er de geïnteresseerde parlementsleden, waaronder ikzelf, te woord.

Dotatiefederalisme

Het huidige Belgische dotatiefederalisme werkt de responsabilisering van de deelentiteiten veel te weinig in de hand. Dat maakten Geert Jennes en Koen Algoed erg duidelijk. Onze financieringswet is niet enkel ‘bijzonder’ naar de letter van de wet omdat hij met ‘bijzondere’ meerderheid moe(s)t gestemd of aangepast worden. Hij is ook echt erg bijzonder wegens de enorme complexiteit en door het grote belang van dotaties en het beperkte belang van eigen inkomsten. Dat laatste geldt niet enkel in budgettaire massa maar ook inzake beslissingsbevoegdheid van deelstaten om bijvoorbeeld grondslagen of tarieven aan te passen.

De gemeenschappen hebben weinig of geen eigen fiscale capaciteit en worden quasi volledig door federale dotaties gefinancierd. Als veel van die dotaties dan niet worden verdeeld volgens de verdeelsleutel van de inkomsten (zogenaamde ‘juste retour’) maar volgens andere criteria, zoals demografische, dan wordt de prikkel voor bepaalde deelstaten om zelf de boontjes te doppen helemaal weggenomen. ‘De belangrijkste reden om de overheden fiscale bevoegdheden te geven, is dat we zo een sinterklaasbeleid kunnen vermijden.’, zei prof. Geert Jennes daarover. De overmatige egalisering (compensatie) van verschillen in welvaart tussen deelstaten verhindert structurele hervormingen in door het systeem begunstigde regio’s zoals Brussel en Wallonië.

Waalse schuldenberg

De toestand is daar intussen nochtans redelijk dramatisch. In opdracht van de voormalige Waalse minister van Financiën Jean-Luc Crucke kwam een onafhankelijke commissie in november 2021 met een rapport over ‘de houdbaarheid van de Waalse schuld’. Dat rapport had één glasheldere boodschap:  ‘de schuldenberg die Wallonië aan het  opbouwen is, en die bij ongewijzigd beleid in 2030 zal oplopen tot 50 miljard, dreigt onbeheersbaar te worden.’ (aldus Knack, 19 januari).

Didier Paquot, hoofdeconoom bij het Institut Destrée, heeft het over ‘de buitengewone laksheid die het Waalse begrotingsbeleid sinds jaren kenmerkt. Tussen 2015 en 2019 zijn de publieke uitgaven gestegen met 12,7 procent, de inkomsten evenwel maar met 8 procent. Wallonië leeft al jaren boven zijn stand. Dat kan niet blijven duren.’ (ibidem)  Wat met 2024? Zal een armlastig Wallonië dan effectief met de bedelstaf komen onderhandelen? Hoe zullen de publieke financiën onze institutionele vragen beïnvloeden?

Het contrast met Vlaanderen kan moeilijker groter zijn: uit berekeningen van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) blijkt dat de Vlaamse regering tegen het einde van de legislatuur in 2024 een begrotingsevenwicht in het vizier heeft. Daarmee schetst de SERV zelfs een rooskleuriger begrotingspad dan de regering die in haar meerjarenramingen voorzichtiger is.

Zwitserland aan de Noordzee

Tegen die achtergrond is het pleidooi voor een gezond fiscaal (con)federalisme van de meeste experten in de Werkgroep actueler dan ooit. Het is een pleidooi voor maximale fiscale en financiële autonomie, en maximale responsabilisering.

Wouter Pas (staatsraad in de afdeling Wetgeving van de Raad van State en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Leuven Centre for Public Law) focuste daarbij ook op het gebrek aan inspraak en vertegenwoordiging van de bijdragende burger tegenover de uitgevende overheid: ‘als men blijft bij een idee van dotaties en financiering van die bevoegdheden op basis van behoeften, dan gaat men naar een systeem waarbij men de financiering van het gewest laat komen uit de rest van het land, zonder dat er inspraak is in de manier waarop die middelen worden besteed.’

Vlaanderen als het ‘Zwitserland aan de Noordzee’ klinkt niet slecht, maar dan toch vooral op vlak van fiscale autonomie. In Zwitserland hebben de kantons veel fiscale autonomie en is er zelfs fiscale concurrentie en competitie tussen de kantons. Zij innen alle directe belastingen: de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting en sluizen dan het federale deel door naar de federale regering. Het Baskische systeem is gelijkaardig.

Zwitserland asociaal? Neen, daar zijn ook vormen van solidariteit tussen de kantons. Maar er wordt nooit verevend tot een gelijk welvaartsniveau.

Spilziek paarsgroen

Geldstromen situeren zich dus uiteraard in de verdeelsleutels en compenserende mechanismen van onze bijzondere financiering: in het solidariteitsmechanisme en tijdelijk overgangsmechanisme (met de zogenaamde ‘sokkel’) van de Bijzondere Financieringswet. Indirect zijn er uiteraard de gekende transfers via de interpersoonlijke solidariteit in de sociale zekerheid.

We mogen ook niet onder de mat vegen dat de federale overheid een aanzienlijke schuldenlast met zich mee torst. Doordat steeds meer bevoegdheden en financiële hefbomen richting de regio’s gegaan zijn met de opeenvolgende staatshervormingen, wordt het voor de federale regering steeds moeilijker om die historische schuldenberg op te soppen. Dit gegeven wordt natuurlijk versterkt door spilzieke paarsgroene (Vivaldi-)regeringen, die er niet in slagen een deftige arbeidsmarkthervorming of pensioenhervorming op poten te zetten, laat staan enige aandrang voelen een écht budgettair beleid uit te zetten.

Koen Algoed beklemtoonde wat de laatste jaren toch wel onderbelicht is gebleven: de aanzienlijke herfinanciering van de federale overheid door de deelstaten sinds de 6de staatshervorming. De Gemeenschappen en Gewesten dragen zeker en vast hun deel bij voor de sanering van de overheidsfinanciën van de federale kas en het opvangen van de vergrijzingskost. Vooral voor de Vlaamse gemeenschap lopen de kosten hoog op.

De voorgestelde oplossingen van de N-VA zijn helder. Wat historisch scheefgegroeid zoals de federale schuld pakken we tijdelijk gemeenschappelijk aan, omdat dat ook in het grootste belang van Vlaanderen is. Verder kiezen we resoluut voor een confederale ommezwaai waarbij de deelstaten eigen beleidskeuzes maken en daar ook zelf de fiscale en budgettaire gevolgen van dragen. Dit is helder, efficiënt, transparant en responsabiliseert veel meer dan het huidige dotatiefederalisme. En het is onze stelligste mening dat dit in het voordeel is van alle deelstaten.

Als Vlaams volksvertegenwoordiger en lid van de Commissie Financiën en Begroting volgt Arnout Coel in de Werkgroep Institutionele Zaken onder meer het luik Fiscaliteit en Financiering. Het verslag is desgevallend hier te lezen