OESO-rapport over pensioenen toont onomstootbaar aan dat regering juiste weg bewandelt

5 december 2017, over deze onderwerpen: Werken, Pensioenen

In haar rapport ‘Pensions at a Glance 2017’ schetst de OESO De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), opgericht in 1961 als uitvloeisel van het Marshallplan, is een samenwerkingsverband van 34 landen om sociaal en economisch beleid te bestuderen en te coördineren. De aangesloten landen proberen hun gezamenlijke problemen op te lossen en hun internationaal beleid onderling af te stemmen. Om vergelijkende analyses te doen, verzamelt de organisatie ook statistische informatie. Die OESO-analyses zijn voor de N-VA een waardevolle basis om het beleid aan af te toetsen of het zelf mee vorm te geven. OESO een somber beeld van de Belgische pensioenen. De wettelijke pensioenen zijn maar net iets hoger dan het OESO-gemiddelde, met een nettovervangingsratio (verschil tussen eerste pensioen en laatste nettoloon) van zowat 66 procent. Bovendien is de impact van de 2e pijler (aanvullend pensioen via werkgever of groepsverzekering) slechts beperkt. Op Hongarije na zijn we het meest afhankelijk van publieke Transfers De geldstromen van Vlaanderen naar Brussel en Wallonië worden transfers genoemd. De transfers via de federale begroting, de financieringswet en de sociale zekerheid zouden tussen 6 en 7 miljard euro per jaar bedragen. En zelfs tot 11 miljard euro, als je de afbetaling van de schuld meetelt. De omvang van de transfers wordt steeds betwist van Franstalige zijde of de transfers worden gewoon als solidariteit afgedaan. Een studie van Vives (KULeuven) toonde aan dat de transfers de solidariteit niet dienen, maar verlammend werken op de groei van zowel de Waalse als de Vlaamse economie. transfers: 84 procent van het inkomen van Belgische 65-plussers komt van de overheid.

Dit hoeft niet te verwonderen als men er enkele andere gegevens uit het rapport naast legt. “We verlaten zeer vroeg de werkvloer, met als gevolg dat we minder lang bijdragen betalen. Daardoor wordt de pensioenpot minder gespijsd. Doordat we vroeger vertrekken, worden onze pensioenen bovendien nog eens gedurende een langere periode uitbetaald. Met dezelfde pensioenpot moet dus een langere periode gedekt worden, het logische resultaat is lagere pensioenen”, zegt pensioenspecialist en Kamerlid Jan Spooren.

Daarnaast lezen we in het rapport dat men amper financieel bestraft wordt wanneer men op vervroegd pensioen vertrekt. Daartegenover staat dat het financieel voordeel van blijven werken na je 65e in België het laagste is van alle OESO-landen. Dit zijn duidelijke oorzaken van bovenstaande problematiek. Het is trouwens niet alleen de OESO die vindt dat we minder lang werken. Het ABVV wees er eerder ook al op dat een gemiddelde loopbaan minder dan 30 effectief gewerkte jaren telt.

“Gelukkig heeft deze regering ondertussen maatregelen genomen. Zo werd vorige maand de eenheid van loopbaan doorbroken, wat blijven werken na je 65e interessanter maakt. Daarnaast werden de gelijkgestelde periodes verstrengd en zal de leeftijd waarop men vervroegd met pensioen kan gaan, in 2018 stijgen naar 63 jaar”, vervolgt Spooren. Maatregelen die zwaar onder vuur werden genomen door de oppositie maar waarvan het rapport duidelijk aantoont hoe noodzakelijk ze zijn. “Willen we onze pensioenen betaalbaar houden en de levensstandaard van de gepensioneerden vrijwaren, dan moeten we langer werken. Andere opties, minder lang werken voor een lager pensioen of de pensioenen betaalbaar houden via hogere belastingen op de werkenden, zijn voor de N-VA geen optie”, maakt Jan Spooren nog eens duidelijk.

De conclusie is simpel: doordat we minder lang werken dan in vergelijkbare landen, liggen onze pensioenen lager. Het rapport toont dan ook meer dan ooit het N-VA-standpunt aan dat de band tussen werken en pensioen verder versterkt moet worden.