Wat als het overal beter is dan thuis?

Door Lorin Parys op 4 maart 2016, over deze onderwerpen: Welzijn, Pleegzorg en adoptie, Jeugd

Twee dagen en twee vonnissen over ernstig mishandelde kinderen (DM 3/3). Allebei mogen - of moeten - ze toch bij hun ouders blijven, die misschien verantwoordelijk voor zijn voor hun mishandeling. Zoals het past, spreek ik me niet uit over het oordeel van een rechter. Maar ik wil het wel hebben over een doorgeschoten filosofie die in onze jeugdhulp is gekropen: dat het nergens beter is dan thuis. Want voor sommige kinderen is dat echt niet zo. Als ik dan in deze krant lees dat 'kinderen hechting nodig hebben maar dat plaatsing die vaak niet biedt', dan word ik boos.

Natuurlijk klopt het dat een gezonde hechting de basis van alles is. Dat lukt niet als je in drieëndertig voorzieningen hebt gezeten of zestig begeleiders hebt gehad, zoals jongeren die ik ken meemaakten. Maar wanneer we kinderen in gevaar niet uit huis plaatsen omdat ze in ons jeugdhulpsysteem die hechting niet kunnen krijgen, dan is het alternatief niet om kinderen in onveilige omgevingen te laten opgroeien, maar om ons systeem aan te passen.

"We hebben van de terugkeer van een kind naar zijn biologische ouders onterecht een heilig huisje gemaakt. In de VS noemen ze onze aanpak slappe Europese romantiek. Iedereen ziet dat we te ver zijn gegaan." Die uitspraak komt niet van mij, maar van Peter Adriaenssens, pediater en voorzitter van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. Ik schreef ze op in mijn boek De vergeetput.

De reden dat die slinger zo is doorgeslagen, is geworteld in de geschiedenis. Met de nieuwe wet op de jeugdbescherming van 1965 kon er niet enkel strafrechtelijk, maar ook preventief worden opgetreden tegen kinderen en ouders. En dat gebeurde ook. Tot diep in de jaren 80 was het paradigma dat kinderen bij problemen zo snel mogelijk uit hun thuisomgeving moesten worden gehaald en ouders ontzet uit het ouderlijk gezag. Maar na verloop van tijd bleek dat in de praktijk vooral arme kinderen verlaten werden verklaard, niet omwille van verwaarlozing, maar omdat hun ouders arm waren.

Die vaststelling heeft geleid tot een collectief schuldbesef en de afschaffing van de wet op de verlatenverklaring in 1999. Met als resultaat dat we nu overdrijven in de andere richting. De rechten van de ouders halen het nu te vaak van het belang van het kind. We moeten terug naar de gulden middenweg. Hier is hoe die er kan uitzien: snellere interventies, meer pleegzorg en meer langetermijnzekerheid voor kinderen.

Als thuisbegeleiding faalt, moeten we sneller durven beslissen om uit huis te plaatsen. Dat doen we best door een kind onder te brengen in een andere, warme, familiale omgeving, waar het zich kan hechten. De regels schrijven nu al voor dat pleegzorg de eerste te overwegen optie is bij uithuisplaatsing voor jonge kinderen. Maar in de praktijk kan dat pas als er genoeg kandidaat-pleegouders zijn. Daar wordt aan gewerkt.

Daarnaast moeten we veel meer langetermijnduidelijkheid creëren voor kinderen. De regels spreken nu wel van 'perspectief biedende' - lees op lange termijn - pleegzorg, maar in werkelijkheid plaatsen rechters kinderen meestal maar voor een jaar. De wettelijke maximumtermijn is drie jaar.

Een overstap naar het Nederlands model kan hier soelaas bieden. Hebben de ouders niet de mogelijkheden om hun kind op te voeden, dan moeten zowel pleegkind als ouders duidelijkheid krijgen dat het kind lange tijd of zelfs permanent in het pleeggezin blijft, met een rol voor de ouders. Want soms is het overal beter dan thuis.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is