» Meer eremetaal met minder slogans

Meer eremetaal met minder slogans

klok 27 augustus 2008

Als lid van de commissie cultuur en sport van het Vlaams parlement analyseerde Kris Van Dijck het Vlaamse sportbeleid en de Olympische resultaten in een vrije tribune. Een ingekorte versie verscheen in De Standaard.

Er is weer veel te doen rond de beperkte medaille-oogst van de Belgen op de voorbije Olympische Spelen. De teneur is kritisch. Met twee medailles – hoe mooi die ook waren – kunnen “we”niet tevreden zijn. Wil dat zeggen dat de Belgische sporters in Peking zwak gepresteerd hebben? Onzin. Op enkele uitzonderingen na hebben “onze” jongens en meisjes het beste van zichzelf gegeven en knap gepresteerd, niet alleen op deze Olympische Spelen maar ook in de vier jaren die hieraan vooraf zijn gegaan. Zij verdienen daarvoor ál ons respect. Alleen stellen we vast dat voor velen van hen het medaille-niveau te hoog lag. Willen “we” in de toekomst méér medailles behalen, dan zullen we beter moeten doen en dat met een grotere concurrentie.

Niemand die van zijn stoel zou vallen als een N-VA’er deze teleurstellende resultaten zou toeschrijven aan de geldverslindende Belgische sportstructuren. En diezelfde N-VA’er aansluitend – en met veel genoegen overigens – de toptrainer in de zwemsport, Ronald Gaastra citeert die zich in deze krant liet ontvallen “dat de de splitsing van België een goede zaak zou zijn voor de topsport”. Maar zo makkelijk wil ik me er niet van afmaken. Een onafhankelijk Vlaanderen zal heus niet automatisch leiden tot meer medailles. De problemen zitten immers dieper. Want over inefficiënte structuren kunnen ook wij in Vlaanderen een woordje meepraten: BLOSO, Atletiek Vlaanderen, Wielerteam Vlaanderen, Departement Cultuur, Jeugd en Sport, BOIC, zes provinciale topsportscholen, … .

We ontkennen niet dat de Vlaamse Regering veel extra middelen heeft geïnvesteerd in de topsport. Iets wat ze vooral moet blijven doen, nog meer zelfs. Maar dat geld moet in hoofdzaak naar de sporters en hun trainers gaan, niet naar federaties – lees administraties. Internationaal onderzoek toonde aan dat structuren noodzakelijk zijn als zogenaamde kritische succesfactor. Cruciaal blijft echter de relatie tussen trainer en topsporter. Beiden moeten van topniveau zijn en beiden moeten professioneel kunnen werken. Er moet daarom dringend worden nagedacht over een rechtstreekse vorm van financiering van topatleten en hun trainers in plaats van de nu bijna-exclusieve financiering via sportbonden – en federaties. Minister van Sport Bert Anciaux probeert sommige van die heilige huisjes neer te halen met zijn hervormingsplannen, maar stuit daarbij in eerste instantie op zijn progressieve kartelvrienden. Raar maar waar: enkel in ons vindt hij een bondgenoot.

Ook op lokaal ruimtelijk vlak gaat een en ander mis. Infrastructuur is en blijft een belangrijk pijnpunt. Zowat alle bestuursleden van sportclubs kunnen getuigen hoe weinig gehoor ze vinden bij gemeentelijke of provinciale overheden voor het doorduwen van de noodzakelijke vergunningen. “Geen sport in mijn achtertuin” is volgens sommigen het credo. Hoe rijm je dat met een groene kijk op mens, gezondheid en milieu?

Voor we dus allemaal collectief aan de populaire klaagmuur staan te jammeren, moeten we de vraag beantwoorden: willen wij eigenlijk wel investeren in sport? Durven we hiervoor een aantal moeilijke keuzes te maken?

Een derde belangrijk pijnpunt situeert zich in het onderwijs. Ook hier wil ik niet te kort door de bocht gaan.. Meer lesuren L.O. op school zal de algemene gezondheid van onze kinderen zeker verbeteren, maar meer medailles op de Olympische Spelen haal je daar niet mee. Als we het over topsport hebben, moeten onze scholen veel meer open staan voor flexibele vormen van samenwerking met goed presterende sportclubs in hun buurt. Jonge topsporters zouden meer kansen moeten krijgen om hun studies op school te combineren met extra trainingsuren in hun sportclub. Dit is perfect mogelijk en op het terrein worden hier de laatste jaren al een aantal mooie initiatieven toe ontwikkeld. Maar de flexibiliteit is nog veel te beperkt en vele scholen hebben pleinvrees omdat ze zich niet gesteund voelen door de centrale onderwijsinstanties. We kunnen hier ook niet voorbijgaan aan de inflatie van topsportscholen. Van tien stuks naar zes stuks is immers niet voldoende. Ik deel de mening van Frans Van den Wijngaert dat we naar een Gentse en Antwerpse sportschool moeten evolueren, meer niet.

Blijft nog over de wat zurige bodem van onze Belgische sportcultuur. Wie er een beetje uitspringt, rad van tong is en goed presteert moet en zal kortgeschoren worden. Vraag het maar aan Vincent Kompany. De manier waarop hij kennis heeft gemaakt met de schandpaal is er ver over (en zelfs voor een Olympisch kampioene hoogspringen onbereikbaar).

“Belgen” houden niet van idolen en helden zoals de Amerikanen, de Chinezen en ja, ook de Nederlanders. Wij relativeren liever en scheppen er plezier in om toptalenten die soms wat vedette-allures beginnen te krijgen, opnieuw met hun twee voetjes op de grond te zetten. Lang leve Jan Modaal. Misschien zit Ronald Gaastra er dan toch niet zo ver naast en staat die Belgitude ons wel degelijk in de weg. Maar ook Vlaanderen heeft nog alles te bewijzen. Binnen vier jaar in Londen met Tia in de tribune.


Contactinfo:

kris [dot] vandijck [at] n-va [dot] be

Thema('s):
Print Share/Bookmark

Facebook           Youtube          Twitter     Linked in