Inclusief onderwijs: leren uit de fouten van Nederland

meisje in klas basisonderwijs

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits maakte deze week bekend dat ze 15,2 miljoen euro extra per jaar uittrekt voor de uitvoering van het M-decreet. Dat decreet bepaalt dat kinderen met een beperking zo veel als mogelijk in het gewone onderwijs les moeten volgen. Het extra geld is welgekomen en ook broodnodig. De nood aan ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften is immers hoog. Maar we moeten er wel over waken dat we in de uitvoering van het M-decreet niet dezelfde fouten maken als Nederland met zijn “Passend Onderwijs”.

Waar wij twee jaar M-decreet achter de rug hebben, kent Nederland sinds drie jaar het “Passend Onderwijs”. De vergelijking tussen de beide systemen van inclusief onderwijs is leerzaam want zowel Vlaanderen als Nederland kennen een sterke traditie van buitengewoon onderwijs. Ook de maatschappelijke uitdagingen in beide onderwijssystemen lopen evenwijdig. 

Op 1 augustus 2003 trad de Nederlandse wet op de Leerling Gebonden Financiering, in de volksmond ‘de rugzakwet’, in werking. Daarmee konden ouders zélf kiezen welke ondersteuning en in welke setting ze hun kind wilden laten begeleiden. Met de invoering van het Passend Onderwijs in 2014, de Nederlandse pendant van het M-decreet in Vlaanderen, schrapte Nederland de rugzak. Het budget van de leerling wordt sindsdien in een grotere pot gestoken. In Nederland gaan er bezorgde stemmen op om het principe van de rugzak weer in te voeren, waardoor, naast de leerkrachtgerichte ondersteuning, ook opnieuw de nodige leerlinggerichte ondersteuning zou kunnen worden aangeboden. 

Het Passend Onderwijs in Nederland legt een zorgplicht op bij de scholen. Concreet betekent dit dat een school de taak heeft om een kind een passende onderwijsplek aan te bieden. Nederlandse scholen kunnen zich niet, zoals de Vlaamse, beroepen op de onredelijke draagkracht. Ze stuiten daarbij op grote problemen want niet voor alle leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften is een gewone onderwijssetting een zegen. In Nederland klinkt het daarom nu: “buitengewoon onderwijs als het moet, gewoon onderwijs als het kan.” Dezelfde knelpunten zijn ook voelbaar in het Vlaams onderwijs.     

Twee jaar M-decreet in Vlaanderen

In Vlaanderen kennen we sedert september 2015 het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, of kortweg M-decreet. Voor het Vlaamse onderwijslandschap creëerde dit een totaal nieuwe situatie. De tussentijdse evaluatie van het M-decreet in Vlaanderen laat duidelijk zien dat niet alle leerkrachten het gevoel hebben voldoende gewapend te zijn om met leerlingen met specifieke onderwijsnoden te werken. Bij hen leeft sterk de vraag of ze wel elke leerling kunnen bieden wat die nodig heeft. Het is van cruciaal belang dat de ondersteuning op de klasvloer terechtkomt en niet opgaat in structuren. In Vlaanderen gebeurt de ondersteuning op verschillende niveaus. Om de leraars voldoende te begeleiden, worden er nu waarborgondersteuners en competentiebegeleiders ingeschakeld. Die hulp is welkom, maar daarnaast groeit ook de bezorgdheid over het behoud van de leerlinggebonden ondersteuning. Leerkrachtgerichte ondersteuning zal de leerlinggerichte ondersteuning nooit kunnen vervangen.

De N-VA houdt van bij de start van het M-decreet vast aan het principe dat het recht op inclusief onderwijs ondergeschikt is aan het belang van het kind. Akkoord dat de school een weerspiegeling moet zijn van de maatschappij en dat iedereen daar zijn plek moet kunnen vinden; maar we maken ons sterk dat er plaatsen beschikbaar moeten zijn voor leerlingen die zich beter en gelukkiger voelen in een aparte onderwijssetting.

Zowel in Nederland als in Vlaanderen worden er goede en noodzakelijke stappen gedaan in het streven naar inclusief of passend onderwijs. We kunnen veel van elkaar leren. Terwijl het Nederlandse onderwijs het losgelaten rugzakprincipe opnieuw aan het omarmen is, komt het er voor Vlaanderen op aan niet in de Nederlandse fouten te vervallen en resoluut te kiezen voor leerlinggebonden begeleiding volgens het rugzakprincipe. Volstaat de rugzak niet om in het gewoon onderwijs te kunnen aarden, moet de leerling de kans hebben om in een aparte onderwijssetting met zijn beperking te leren omgaan. Gewoon als het kan, buitengewoon als het moet. Dat is de essentie

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is