» Waarom Trond Sollied Nederlands moet leren

Waarom Trond Sollied Nederlands moet leren

klok 16 oktober 2003

De voetballiefhebbers onder ons - en zeker deze van Club Brugge - hebben in de kranten van 8 oktober jl. het vraaggesprek met Marc Degryse gelezen. Het was stil geworden rond ‘de kleine’ sinds hij niet meer in competitie voetbalt en nog stiller sinds hij in dienst van blauw-zwart is. Het vraaggesprek handelde over zijn nieuwe taak, sportleider bij Club. Dus lag dé vraag voor de hand: waarmee is Degryse in de voorbije maanden bezig geweest? Blijkt dat de gewezen Rode Duivel een spelersraad heeft opgericht en dat hij als verbindingsman tussen spelers en bestuur fungeert. Uit die samenspraak was o.m. de vraag gerezen om buitenlandse spelers Nederlands te laten leren. Een nogal evident verlangen, dunkt ons.

Er treden steeds meer en meer buitenlandse spelers in onze ploegen aan en als daar niet een gemeenschappelijke taal wordt gesproken, dreigt een elftal snel een toren van Babel te worden. Je komt niet tot één ploeg als niet iedereen dezelfde taal spreekt. De vraag van de Nederlandssprekende spelers van Brugge is dan ook terecht: geef die buitenlanders een taalbad, dat is goed voor ze. Zowel op als naast het veld.

Er bestaat bij Club echter een groter taalprobleem, dat van de Nederlandsonkundige trainer Trond Sollied. Dat vinden de spelers niet kunnen, hebben ze via Degryse laten weten. Als hoogste in rang zou de Noor natuurlijk het voorbeeld moeten geven maar hij vindt geen tijd om les te volgen, lezen we in het vraaggesprek. Degryse wil daar wat aan doen. Het doet mij een beetje denken aan de tijd toen de Vlaamse beweging strijd moest voeren tegen de Nederlandsonkundige werkgevers in Vlaanderen. Een strijd waaruit later het decreet-Vandezande (naar de gelijknamige VU-senator) of Septemberdecreet is gegroeid. Degryse zegt jaloers te zijn als hij de Servische speler Kezman van PSV Eindhoven Nederlands hoort praten. Wat in Nederland kan, moet ook bij ons ook kunnen. Het is nodig dat werknemers, ook beroepssporters en trainers zijn werknemers, zich hier inburgeren door o.m. de taal van hun werkomgeving te leren. Een prachtvoorbeeld van zo’n integratie is de Australische wielrenner Robbie McEwen. Hij is niet alleen een knappe coureur, maar ook een beschaafd, vriendelijk en welbespraakt iemand. In het pittigste Nederlands bovendien! Maar Degryse gaat nog een stapje verder. Waarom spelers Nederlands leren? “We doen het ook om het Vlaamse karakter van onze club te beklemtonen.”

Club Brugge is, en dat weet oud-Clubspeler Degryse maar al te best, dé club van Vlaanderen zoals Anderlecht van het Brusselse is en Standard Liége van Wallonië. Club is zo Vlaams als FC Barcelona Catalaans, Athletic Club Bilbao Baskisch en Celta de Vigo onvervalst Gallicisch is.

Dat Degryse het Vlaamse karakter van Club wil beklemtonen, pleit voor zijn correct aanvoelen. Het is niet vergezocht, maar de ware volksaard (de voor velen zo gesmade indentiteit) is een realiteit die ook in het stadion tot uiting komt.

In dat verband is het verhaal van Sportclub Heerenveen mij altijd bijgebleven. Dé voetbalvereniging van Friesland gaat door als het voorbeeld van nationale trots en van... inburgering. De outfit wordt gesierd door de pompeblêden, het nationale symbool van Fryslân. Elke thuismatch wordt geopend met het zingen van het Friese volkslied begeleid door de clubharmonie. Het meezingen van de hymne is een must en wordt nieuwe spelers, van waar ze ook komen, van in den beginne aangeleerd. Jonge buitenlandse voetballers worden ondergebracht in gastfamilies en gaan met de jongelui van het gezin mee school. Ze krijgen meteen Nederlands aangeleerd en nemen deel aan plaatselijke evenementen zodat ze de leefwereld van buurt en supporters begrijpen en delen.

Hoe schril staat deze warme opvang in contrast met de lotgevallen van de talentvolle jonge voetballertjes uit derdewereldlanden bij ons. Zij worden op een appartementje gedropt en vaak aan hun lot overgelaten. Sommigen van hen verdwijnen in het nachtleven of sukkelen in de criminaliteit. Nog voor het seizoeneinde zijn ze in geen voetbalvelden meer te bespeuren. Nu het stemrecht voor migranten opnieuw aan de orde is, wil ik nogmaals het N-VA-standpunt herhalen. De basis van elk succesvol integratiebeleid is de verplichte inburgering, niet de snel-Belg-wet waarvan wij trouwens de afschaffing hebben gevraagd. Dit zijn de stapstenen: vijf jaar verblijf, Nederlands leren en spreken, vertrouwd zijn met onze instellingen, de wetten kennen én naleven. Na die tijd kan gekozen worden voor gemeentelijk stemrecht, na tien jaar voor de nationaliteit wat parlementair stemrecht oplevert. Vanzelfsprekend vraagt zo’n inburgeringtraject enige inspanning maar het staat dan ook waarborg voor een volwaardig en volledig burgerschap.

Vreemdelingen moeten zich niet aanpassen om de aanpassing, maar omdat zij en wij er beter van worden. Wij zullen onze vooroordelen tegenover hen overwinnen, zij zullen zich thuis voelen en niet langer met de vinger worden gewezen voor alles wat vierkant draait in de maatschappij.

Ook Trond Sollied zou, mocht het ooit eens minder goed gaan met Club, er wel bij varen. Hij zal het tenminste kunnen uitleggen!


Contactinfo:

geert [dot] bourgeois [at] n-va [dot] be

Thema('s):
Print Share/Bookmark

Facebook           Youtube          Twitter     Linked in