» Een hart voor lokale economie

Een hart voor lokale economie

klok 5 mei 2006

Op haar eerste ledencongres begin mei 2002 trok de N-VA de grote lijnen van haar programma. Meteen werd besloten op studiedagen en colloquia het programma verder uit te diepen. Zo kwamen o.m. de Vlaamse gezondheidszorg, de relatie Vlaanderen-Europa en een Vlaamse Grondwet aan bod. Begin dit jaar ging het congres door waarop een programma voor de gemeenteraadsverkiezingen werd goedgekeurd. In het verlengde van haar opties voor een lokaal beleid buigt de partij zich op zaterdag 13 mei over de problematiek van de lokale economie.

Van buurtwinkel naar winkelcentrum
Als elke burgemeester word ook ik geconfronteerd met de voor- en nadelen van plaatselijke economische bedrijvigheden. Vaak staat een gemeentebestuur daarbij machteloos, toch beschikt het ook over mogelijkheden om een bedrijfsvriendelijk klimaat te creëren en om tewerkstelling te bevorderen. Daarbij streven gemeentebesturen vooral het algemeen belang na, door voor haar bevolking welvaart en welzijn te verzoenen.
Het gaat ondertussen lang niet meer over het kleine buurtwinkeltje dat, ook al houden wij er mateloos van, allengs uit het straatbeeld verdwijnt. Middelgrote winkels nemen de markt in, terwijl grootschalige projecten zich graag aan de rand van onze steden en gemeenten neerpoten. Na verloop van tijd groeien beiden tot bedrijven- en winkelcentra uit.
Voor de consument een zaak van alledag, voor beleidsmensen een situatie om in het oog te houden. Ik som enkele aspecten van die evolutie op, zij komen op ons congres over lokale economie uitgebreid aan bod.

Fiscaliteit
Worden ondernemingen afgeschrikt door de fiscale druk, door de tientallen soorten bedrijfsbelastingen, door de papierrommel? Een gemeente kan de zaken eenvoudig houden door verschillende belastingen op bedrijven en middenstandszaken tot één belasting om te vormen.

Ruimtelijke ordening
De overheden moeten de wildgroei aan baanwinkels en winkelcentra voldoende beheersen. Zelden verfraaien zij het landschap, zorgen voor mobiliteitsproblemen en nodigen door hun ligging vaak tot vandalisme uit. Een met zorg gekozen inplanting kan schaarse open ruimten sparen. Ook op het vlak van de bedrijventerreinen moet een gemeente initiatieven nemen. Vervuilde sites kunnen na sanering hergebruikt worden, hetzelfde geldt stationsbuurten die er in Vlaanderen vaak nutteloos bijliggen. Bestaande industrieterreinen moeten, alvorens nieuwe gronden worden aangesneden, efficiënter benut worden.
In het kader van het gewijzigde winkelaanbod in de centra moet leegstand boven winkels een nieuwe bestemming krijgen. Zo kan in vele steden en gemeenten een actie ‘wonen boven winkels’ verlaten centra een tweede leven geven, wat de sociale controle ten goed komt.

Mobiliteit
Vanuit mijn vorige job als directeur bij De Lijn heb ik een zwak voor mobiliteit en verkeersproblematiek. Het openbaar vervoer is in de lokale economie voor elk bestuur een bijzondere partner. Daarom is het aangewezen dat elke gemeente een mobiliteitsplan opstelt dat geraadpleegd wordt telkens een bedrijf zich in de gemeente wil vestigen. Zowel werknemers als verbruikers zullen hun voordeel doen wanneer hun openbare mobiliteit heen en terug verzekerd is.
Voor steden en grote gemeenten is de aanstelling van een bereikbaarheidsadviseur een noodzaak. Dit is de man of de vrouw die bij openbare werken de regietaak op zich neemt. En die er voor zorgt dat stadskernen voor iedereen bereikbaar blijven, ook voor winkelen, horeca en toerisme.

Sociale economie
Een speler die zich de jongste jaren op de markt van de lokale economie met verve beweegt, is de sociale economie. Ook daar ligt een rol voor lokale overheden. Langdurige werklozen, laaggeschoolden of moeilijk plaatsbare werknemers vinden er een baan naar hun gading. Het gaat daarbij om veel meer dan de klassieke poetsdienst of dito tuinman, ook een strijkwinkel of een sociaal restaurant kan wonderen doen.

Geen extra koopzondagen!
Wie de lokale economie verdedigt, hoedt zich ook voor de uitwassen. Een daarvan is de vraag om het aantal koopzondagen van drie naar negen uit te breiden. Een eerbiedwaardige vraag, ware het niet dat de vraagstellers het spel oneerlijk spelen. Dé grote voorstander is de VLD. Het is dan ook verdacht dat haar staatssecretaris Van Quickenborne (VLD) de enquête daarover zelf - met overheidsgeld! - organiseerde en het is al even verdacht dat het liberale standpunt door 62,3 % van de ‘ondervraagden’ bevestigd wordt. Dat de Sp.a bij monde van haar voorzitter, Johan Vande Lanotte, die liberale eis steunt stemt tot nadenken. Wil de Oostendenaar met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen de middenstand van zijn badstad wil plezieren?
En van peilingen gesproken. Andere enquêtes bewijzen met evenveel overtuiging het tegenovergestelde. Op de vraag ‘Hebt u behoefte aan de uitbreiding van het aantal winkelzondagen?’, antwoordde 71,6% van de deelnemers aan De Stemmenkampioen negatief. Ook 62,22% lezers van De Standaard (4 mei) zegden neen op een gelijkaardige vraag.
De N-VA weet dat een uitbreiding niet voldoet aan een behoefte maar een nieuwe stap is in het ongebreidelde consumeren dat ons wordt opgedrongen. Bovendien bestaan reeds tal van uitzonderingen die kopen op zondag mogelijk maken. Onze partij beschouwt de zondag als een zinvolle rustdag, een dag om in familie- of vriendenkring zoveel dingen te doen waar een werkende mens in de week geen kans toe krijgt. Bijkomende koopzondagen kunnen in toeristische centra misschien overwogen worden. Maar dan is het niet de federale regering die daar over beslist maar de Vlaamse.
U merkt dat een debat over lokale economie door vele facetten geschraagd wordt. Ik hoop u op ons congres te ontmoeten!


Contactinfo:

jan [dot] peumans [at] n-va [dot] be

Thema('s):
Print Share/Bookmark

Facebook           Youtube          Twitter     Linked in