Algemene informatie over de Nieuw-Vlaamse Alliantie op www.n-va.be

De Vlaamse huisarts
in een Vlaams gezondheidsbeleid 

 

Als syndicaat van het algemeen Vlaams belang schetst de Nieuw-Vlaamse Alliantie de krijtlijnen van een ambitieus plan voor een Vlaamse, sociale en kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg voor de 21ste eeuw. Dit dossier werd voorbereid door de Werkgroep Huisartsen van de N-VA. Op een persconferentie dd. 23 mei 2002 werd het plan voorgesteld door algemeen voorzitter Geert Bourgeois, de dokters Walter Peeters en Louis Ide (voorzitter en lid van de werkgroep huisartsen binnen de N-VA) en volksvertegenwoordiger Danny Pieters (professor sociaalzekerheidsrecht aan de K.U.Leuven)

 
1. Inleiding
“Algemene malaise bij huisartsen”.
“Huisartsen eisen 20 euro voor een consultatie en 30 voor een huisbezoek”
“Geen centen, geen conventie”
“Budget huisartsgeneeskunde moet naar omhoog”
“Huisartsenbudget moet drie jaar na elkaar met 15 procent omhoog”


En dat gaat zo maar door. Tot en met…. “zelfmoord bij artsen”.

Deze weinig hartverheffende uitspraken bevestigen dat het water heel wat huisartsen aan de lippen staat, dat deze beroepsgroep een grondige ommezwaai wil in het gezondheidsbeleid en het materieel en sociaal statuut van de huisarts. Het zijn noodkreten die bevestigen dat een doortastende oplossing meer dan dringend is.

De Nieuw-Vlaamse Alliantie gelooft evenwel niet in een Belgische oplossing. Met het verschuiven van centen van links naar rechts en ondoorzichtige - meestal in Franstalige inkt geschreven - Belgische arrangementen komen we er niet meer uit. De Nieuw-Vlaamse Alliantie wil best geloven in het “Toekomstplan voor Huisartsgeneeskunde” zoals opgesteld door Dr. Van de Meulebroeke. Meer nog, de partij was aangenaam verrast door de inhoud van het rapport, al worden heel wat fundamentele communautaire twistpunten gemakshalve uit de weg gegaan. Toch voorspelt de N-VA nu al een formeel en onomkeerbaar “non” vanwege de Franstaligen. De voorstellen van Dr. Van de Meulebroeke staan immers in grote mate haaks op de Franstalige visie op gezondheidszorg in het algemeen en de huisartsenproblematiek in het bijzonder.

Als syndicaat van het algemeen Vlaams belang, reikt de N-VA een doortastende oplossing aan in de vorm van een omvattend voorstel voor een aangepast statuut van de Vlaamse huisarts in een Vlaams gezondheidsbeleid.

2. De N-VA en de Vlaamse huisarts: vijf pijlers

 

  1. De gezondheidszorg zit gevangen in een unitair Belgisch carcan, waardoor elk toekomstgericht, humaan en betaalbaar gezondheidsbeleid, aangepast aan de Vlaamse noden, onbestaande is. De kloof tussen de Vlaamse en de Franstalige visies en voorkeuren is onoverbrugbaar geworden. De N-VA wil daarom de snelle en integrale overheveling van het gezondheidsbeleid naar de gemeenschappen. Ook inzake gezondheidszorg dienen de gemeenschappen verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen beleidsvisies en het eigen consumptiepatroon.
    De N-VA wil het Vlaams welzijn in Vlaamse handen. Conform het Vlaams regeerakkoord, werd in de Kamer reeds een voorstel ingediend voor een Vlaamse gezondheidszorg.
  2. Aanmoediging tot inschrijving bij een vaste huisarts met het oog op de invoering van het globaal medisch dossier en het Vlaams Elektronisch Netwerk. De patiënt wordt geresponsabiliseerd: een onverantwoord beroep op specialistische geneeskunde wordt financieel ontmoedigd.
  3. Flexibele echelonnering: de huisarts vormt de toegangspoort tot en is spilfiguur van de eerstelijnszorg. Hij is de belangrijkste maar evenwel niet de enige actor in die eerste lijn.
  4. Vervanging van het stelsel van de eenzijdig prestatiegebonden honorering door een modulaire forfaitaire regeling met ruimte voor taakgerichte honorering.
  5. Aanmoediging van samenwerkingsverbanden ter garantie van een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg.
 
3. De huisarts in de hedendaagse Vlaamse samenleving

Tot ver in de jaren zeventig was de huisarts de man - vrouwelijke huisartsen waren eerder de uitzondering dan de regel - van wie verwacht werd dat hij zijn patiënten “van de wieg tot aan het graf” zou begeleiden. Hij was zo goed als permanent beschikbaar, presteerde meer dan overvolle werkweken, maar genoot anderzijds groot maatschappelijk aanzien.

De voorbije decennia is die situatie ingrijpend gewijzigd. De huisarts wordt geconfronteerd met nieuwe maatschappelijke, demografische en medische uitdagingen. De voorbeelden zijn legio: de toename van de chronische ziekten, het streven naar een optimale levenskwaliteit voor elke patiënt, de verslavingsproblematiek, de gewijzigde gezinssamenstelling, de verwevenheid van sociale- en gezondheidsproblemen met kansarmoede, een toenemende maatschappelijke dualisering...

Daarenboven kampt de huisarts met een groeiende administratieve rompslomp.

Al die uitdagingen vergen bijkomende kennis en complexe vaardigheden, doordachte methodes voor een zo efficiënt mogelijke hulpverlening, samenwerking tussen zorgverleners uit verschillende disciplines en op de diverse niveaus van de gezondheidszorg. Tussendoor verwacht de samenleving ook nog dat de huisarts een waakzaam oog heeft voor de kostprijs van de gezondheidszorg.

De toename van de individuele vereisten en inspanningen gaat evenwel gepaard met een afname van de maatschappelijke erkenning en materiële ondersteuning van de huisarts.

Steeds meer artsen kampen met een “burn out”. Het huisartsenberoep is niet langer aantrekkelijk. Er zijn in België tweemaal zoveel huisartsen als in Nederland, maar de Belgische huisarts moet veel meer uren beschikbaar zijn voor uiteindelijk minder inkomen dan zijn Nederlandse collega. Niet te verwonderen dat steeds meer jonge huisartsen de grens overtrekken. ”Zeven op tien huisartsen die in 1995 promoveerden aan de verschillende Belgische universiteiten, stonden vijf jaar later nog in het beroep. In een studie die vijf jaar geleden in Vlaanderen werd gevoerd, was dat maar 52 procent” (De Artsenkrant, 2 maart ’02). Drie op tien huisartsen stappen na vijf jaar uit het beroep.

4. Vlaanderen en Wallonië: twee werelden, twee huisartsen


We spreken wel over de “Vlaamse” huisarts maar deze feitelijkheid vertaalt zich niet in een aangepast Vlaams beleid. Hij of zij zit vandaag opgesloten binnen het carcan van de unitaire Belgische sociale zekerheid, waar de Franstalige verzuchtingen inzake gezondheidszorg haaks staan op zowat alles wat in Vlaanderen ervaren wordt als een toekomstgericht gezondheidsbeleid.

Ook het veelgeprezen “Toekomstplan voor de Huisartsgeneeskunde” van Dr. Van de Meulebroeke gaat diverse twistpunten tussen de Vlaamse en Franstalige visies uit de weg.

Zo is er geen sprake van de uitgesproken Vlaamse prioriteit voor preventie. Ook over het voorschrijfgedrag, de overconsumptie van geneesmiddelen, de overtollige onderzoeken in radiologie en klinische biologie en de invloed van de farmaceutische nijverheid op het gezondheidsbeleid wordt in het rapport Van de Meulebroeke met geen woord gerept.
Toch vormt het rapport nu al het voorwerp van communautaire discussie. Al was het allerminst de bedoeling, het rapport bevestigt aldus de dringende noodzaak aan een eigen Vlaams gezondheidsbeleid.

Daarenboven bemoeilijkt de greep van de medico-mutualistische commissie elke mogelijke correctie van het Belgische gezondheidsbeleid. Het resultaat daarvan is bekend: het Belgisch gezondheidsbeleid is nauwelijks meer dan een loodzwaar begrotingsprobleem.

Om het allemaal nog iets moeilijker te maken, blijven we vooralsnog opgescheept zitten met het probleem van de incoherente verdeling van de bevoegdheidspakketten: preventie, infrastructuur; informatica en research zijn regionale bevoegdheden, ziekenzorg is een zaak voor de federale overheid.

Enkele feitelijke communautaire tegenstellingen in de gezondheidszorg op een rij:

  • Door het toelatingsexamen wordt in Vlaanderen de toeloop naar de medische studie beperkt. Aan Franstalige zijde laat men alles op z’n beloop: op die manier blijft de sluis wijdopen voor breed uitgesmeerde subsidies per student. In het Franstalige landsdeel komt men aan 8.199 specialisten tegenover 6.984 in Vlaanderen. Een verschil dat men de komende jaren niet kan wegwerken gezien de gemiddelde leeftijd van deze artsen.
  • Dit verschil alleen al legt een groot deel van de weerstanden en de overconsumptie ten zuiden van de taalgrens uit: de overdaad aan "op de markt" beschikbare geneesheren wordt gecompenseerd door extra-prestaties om aan eenzelfde inkomen per arts te geraken. Die opvallende verschillen maken een gelijk beleid in beide taalgebieden gewoon onmogelijk.
  • Terwijl Wallonië opteert voor het duurdere technisch medisch model, kiest Vlaanderen resoluut voor de eerstelijnszorg in een geëchelonneerd model. Dat blijkt ook uit de duidelijke Waalse voorkeur voor hospitaalgeneeskunde met dure technische onderzoeken en duurdere ligdagprijzen, terwijl Vlaanderen opteert voor zoveel mogelijk thuiszorg.
  • De profielenstudie naar de afgeleide kosten per arts in de klinische biologie en de radiologie toont aan dat de Vlaamse artsen in overgrote meerderheid in de laagste decielen figureren, hun Franstalige collega’s in de hoogste. De Vlaamse huisarts werkt minder technisch en dus goedkoper dan zijn Franstalige collega. Het gemiddelde forfait voor de klinische biologie in Vlaanderen is niet eens 6 euro, voor Wallonië komt men voor dezelfde patiënt op 15 euro.
  • De excessen in het gebruik van antibiotica situeren zich vooral in Wallonië. Legt dit misschien uit waarom cijfers inzake het voorschrijven van geneesmiddelen niet worden vrijgegeven?
  • De Vlaamse huisartsen eisen de invoering van het centraal medisch dossier en kiezen voor een ander betalingsmodel dan alleen maar prestatiegebonden vergoedingen. Die keuze kan niet worden waargemaakt omdat vooral Franstalige artsen zich daartegen verzetten.
  • In Vlaanderen evolueert de fusieoperatie van ziekenhuizen op het terrein moeizaam maar toch in de goede richting; bij onze Franstalige landgenoten worden fusies doorgevoerd op papier en blijft voor het overige alles bij het oude.
En dan is er natuurlijk Brussel nog

De eerste Vlaamse “studies” over de opvang van Nederlandstalige patiënten in Brusselse ziekenhuizen dateren uit de jaren zestig. Vlaams minister voor Brussel Bert Anciaux beloofde maanden geleden er “iets” aan te zullen doen. Helaas, wil je vandaag als Nederlandstalige in Brusselse ziekenhuizen geholpen worden, dan spreek je in veel gevallen beter Frans. Anno 2002 kan Nederlandstaligheid in Brussel letterlijk je gezondheid schaden.
In de Vlaamse rand worden Nederlandstalige patiënten doorgaans door (eentalige) Franstalige hulpverleners naar Franstalige Brusselse ziekenhuizen gevoerd. In Brussel zelf wordt het intussen uitkijken of de hoofdstad van Vlaanderen naast een Franstalige ook een Nederlandstalige huisartsenkring krijgt.

Conclusie

Alleen als de Belgische omknelling wegvalt, kan werk gemaakt worden van een Vlaams gezondheidsbeleid. Het Vlaams regeerakkoord gaf alvast een eerste aanzet om te komen tot een aangepast Vlaams gezondheidsbeleid: “Gezien het reële persoonsgebonden karakter [is] er een noodzaak om tot een samenhangende aanpak inzake preventief en curatief beleid te komen en een socialere en efficiëntere aanpak van de gezondheidszorg te realiseren. Daarom streeft de Vlaamse regering, in het kader van de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap, naar de overheveling van de normerings- en uitvoeringsbevoegdheden betreffende het gezondheids- en gezinsbeleid naar de gemeenschappen.

Vooralsnog is het wachten op Godot. N-VA-kamerlid Dany Pieters vatte de koe bij de horens en diende vanuit de oppositie een voorstel in dat het Vlaamse regeerakkoord terzake uitvoert. Het is uitkijken naar de houding van de Vlaamse meerderheidspartijen.

 

5. De huisarts, spil van een kwalitatief hoogstaande geneeskunde

Een toekomstgericht Vlaams gezondheidsbeleid begint bij de huisarts.
Hij of zij is de belangrijkste toegangspoort tot de gezondheidszorg. De huisarts dient de coördinerende spil te zijn van een geïntegreerde eerstelijnszorg, evenals de organisator van een lijnoverschrijdende samenwerking met de andere niveaus in de gezondheidszorg: de tweede- en de derdelijnszorg.

De voorbije decennia werd het gezondheidsbeleid in ons land steeds sterker overheerst door wat kan worden omschreven als het “hospitalocentrisme”: rechtstreeks naar het ziekenhuis stappen, zonder consultatie van de huisarts.

Het tegengaan van deze trend veronderstelt een ingrijpende heroriëntering van de aangeboden gezondheidszorg met een nieuwe positionering van de eerstelijnszorg als noodzakelijke stap naar de volgende niveaus van de gezondheidszorg. De Vlaamse artsen opteren in grote meerderheid voor een trapsgewijs georganiseerde en geïntegreerde gezondheidszorg - flexibele echelonnering - die uitgaat van kwalitatief hoogstaande eerstelijnszorg. Dit moet gebeuren binnen een eigen overlegmodel gedragen door representatieve, gekozen woordvoerders.

Echelonnering heeft een dubbel oogmerk: enerzijds gaat het om de organisatie van een efficiënte samenwerking tussen de verschillende zorgverleners, anderzijds om het inbouwen van de gerichte verwijzing naar andere actoren met elk hun specifieke opdracht binnen de verschillende niveaus van de gezondheidszorg.

Alle actoren staan met mekaar in verbinding via het “Vlaams Netwerk Elektronisch Dossier”. Het VNED is een gesloten netwerk met als vertrekpunt het Elektronisch Medisch Dossier (EMD) dat elke patiënt bij zich draagt onder de vorm van zijn of haar SIS-kaart. De toegang tot dat EMD is open voor elke behandelende arts, beperkt tot zijn of haar terrein. Op die manier ontstaat een heuse doorstroming van informatie tussen al wie bij de gezondheidszorg voor een patiënt betrokken is. Dit vereenvoudigt onder meer de opsporing van een mogelijke vergetelheid in de zorgverlening.

De huisarts behoort bij uitstek tot de eerste lijn. Echter, ook andere zorgverleners eisen een plaats op in de eerstelijnszorg: kinderartsen, verloskundigen, geriaters, oogartsen en zelfs psychiaters, maar ook paramedici. De invulling van de eerstelijnszorg veronderstelt overleg tussen alle betrokken partijen. Voor de actoren binnen de eerste lijn veronderstelt dit wel dat ze kunnen rekenen op loonwaarborg. Dat men nu tot de vaststelling komt dat er “plots” te veel kinesisten zouden zijn, met een paniekreactie tot gevolg, typeert het beleid van de huidige federale meerderheid. De N-VA wenst daarentegen duurzame, doordachte maatregelen uit te werken die echt tegemoetkomen aan mogelijke “tekorten en overschotten”.

Daarnaast moet ook de positie van de patiënt worden vastgelegd. Deze krijgt een keuzemogelijkheid: ofwel zich inschrijven bij een vaste huisarts die het globaal medisch dossier - liefst elektronisch - beheert ofwel gebruik maken van de persoonlijke vrijheid om dezelfde of een andere huisarts te raadplegen.
De inschrijving bij een vaste huisarts moet worden aangemoedigd door een stelsel van gedifferentieerde terugbetaling: een vaste huisarts kost de patiënt minder dan wanneer gebruik wordt gemaakt van het persoonlijk keuzerecht.

De “vaste huisarts-keuze” moet in de plaats komen van de huidige mercantiele relatie tussen huisarts en patiënt: het gaat om een structureel wederzijds engagement. De huisarts verbindt zich contractueel tot de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg van de ingeschreven patiënt en tot het beheer van het medisch dossier, de patiënt aanvaardt de verplichting om zich aan één huisarts te verbinden.

De vaste huisarts-keuze kan ook binnen een georganiseerd samenwerkingsverband. De vaste inschrijving geldt tot de patiënt vraagt om zich te laten overschrijven naar een andere huisarts. Voor de oorspronkelijke huisarts geldt de verplichting om het medisch dossier mee te geven.

De responsabilisering van de patiënt is essentieel. Zo valt niet alleen de keuze voor een vaste huisarts “goedkoper” uit, de patiënt zal ook moeten aanvaarden dat bij onverantwoorde rechtstreekse consultatie in de tweede lijn het prijskaartje hoger ligt.

Van de overheid wordt verwacht dat zij samenwerkingsverbanden ondersteunt. Dit geldt ook voor het aanschaffen van kwaliteitsbevorderende infrastructuur. De uitbouw van een secretariaat, het (elektronisch) beheer van het globaal medisch dossier en het inschakelen van een praktijkassistent zijn elementen die vandaag niet of onvoldoende mogelijk zijn gezien o.a. de hoge uitgaven voor de individuele huisarts.
Als tegenprestatie voor de tegemoetkoming biedt de huisarts een geneeskunde aan die beantwoordt aan de vooropgestelde kwaliteitsnormen. Er is voldoende wetenschappelijk onderzoek beschikbaar om duidelijk te maken dat het versterken van de eerstelijnszorg - ook technisch - een investering is die zichzelf terugverdient. Een en ander veronderstelt wel een grondige herschikking van het budget “ziekteverzekering”, waarbinnen de huisartsgeneeskunde al lang stiefmoederlijk behandeld wordt.

In hoofde van de huisarts veronderstelt dit alles een voortdurende her- en bijscholing. Deze wordt georganiseerd en gestuurd door de erkende huisartsenkringen i.s.m. de wetenschappelijke huisartsenverenigingen en de Interuniversitaire Centra voor Huisartsenopleiding.

Indien het ook bij ons, zoals in de VS, komt tot een systeem van “recertificatie” zal de Nieuw-Vlaamse Alliantie zich inzetten voor het verkrijgen van een betaald tijdskrediet ten gunste van de huisarts. Recertificatie impliceert dat men op regelmatige en vaste tijdstippen moet bewijzen dat men zijn oorspronkelijk diploma nog waard is. Voor de N-VA is recertificatie evenwel geen prioriteit.

Tot slot veronderstelt een betaalbare geneeskunde ook een beperking van de toevloed van steeds nieuwe kandidaten op de “artsenmarkt” zodat de beschikbare middelen niet steeds over altijd maar meer mensen moeten gespreid worden. Ook hier zullen de kaarten fundamenteel anders liggen wanneer Vlaanderen een eigen gezondheidsbeleid kan uittekenen.

Bij de invoering van contingentering koos Vlaanderen voor een beperking van het aantal studenten geneeskunde, veeleer dan het aantal afgestudeerden te limiteren. Ook op dit vlak weigerden de Franstaligen echt in te grijpen: meer dan een beperking na de derde kandidatuur was volgens hen niet nodig. Gevolg: het overschot aan artsen aan Franstalige zijde is veel groter dan in Vlaanderen.
De Franstalige overbevolking van de geneesherenmarkt is wellicht één van de belangrijkste redenen waarom een correctie binnen de Belgische gezondheidszorg zo goed als uitgesloten is: het overaanbod aan geneesheren bij de Franstalige buren kan immers alleen maar gecompenseerd worden door extra prestaties om aan eenzelfde inkomen per arts te komen. Vlaanderen dient voor deze keuze niet te blijven opdraaien. De N-VA duldt geen aantasting van de 60/40-verhouding.

 

6. Materieel statuut van de huisarts

Een flexibele echelonnering met een versterkte eerstelijnszorg en de logistieke ondersteuning van het Netwerk Elektronisch Dossier (NED) veronderstelt een aangepaste financiering. Dit moet kunnen binnen de huidige ziekteverzekering. De N-VA is er evenwel van overtuigd dat de splitsing van de sociale zekerheid voor Vlaanderen meer financiële ademruimte ten gunste van een toekomstgerichte gezondheidszorg zal bieden. Dit is essentieel indien Vlaanderen de huidige kloof ten opzichte van andere Europese landen inzake de eerstelijnszorg en in het bijzonder de huisartsgeneeskunde wil dichtrijden. De eis tot een volledige splitsing van de sociale zekerheid, inclusief de financiering, blijft prioritair.


De modulair forfaitaire vergoeding

De Nieuw-Vlaamse Alliantie wil het vrij beroep niet fnuiken, maar anderzijds dient vastgesteld dat een louter prestatiegebonden terugbetaling niet langer houdbaar is. De N-VA wil daarom dit stelsel vervangen door een gemengd stelsel van honorering per ingeschreven patiënt aangevuld met een taakgerichte honorering.

Via de inschrijving bij een vaste huisarts wordt per patiënt een geplafonneerde forfaitaire bijdrage betaald aan de huisarts. In die bijdrage worden verrekend: de kosten voor het Globaal Medisch Dossier, de consultaties tijdens de kantooruren, de raadplegingen tijdens het telefoonuurtje…
Aparte modules zijn bestemd voor preventie, praktische organisatie, opleiding en bijscholing, investering in het Vlaamse NED.
In geval van extra zorgen buiten de kantooruren, speciale eisen vanwege de patiënt, telefonisch advies buiten de vastgestelde uren, een voorschrift zonder consultatie of wanneer er speciale handelingen nodig zijn, wordt een remgeld aangerekend.
Een betaling per prestatie voor deze zogenaamde “punctuele taken” is voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie een essentieel onderdeel van het modulair forfaitair systeem.

Geneeskunde kan niet kosteloos zijn. De patiënt moet zich daarvan bewust blijven. Daarom de noodzaak om een beperkte vorm van remgeld te behouden. Een beperkte nomenclatuur afgestemd op het modulair forfaitair systeem is haalbaar.

Het van overheidswege actief stimuleren van samenwerkingsverbanden is ongetwijfeld een goed middel om jonge beginnende huisartsen enige werkzekerheid te waarborgen. Hij of zij moet niet meteen op zoek naar voldoende fondsen om de infrastructuur dusdanig te organiseren dat kwalitatieve gezondheidszorg mogelijk wordt. De N-VA gaat er daarom van uit dat de modulaire forfaits voor infrastructuur en instrumentarium ten goede moeten komen van vooral beginnende huisartsen.

Door de oprichting van wachtdienstpermanenties voor de eerstelijnszorg dient de arts niet langer permanent beschikbaar te blijven. Dit komt ten goede aan de levenskwaliteit voor de huisarts.

Huisartsen moeten ook aanspraak kunnen maken op een aangepast sociaal statuut. Daarvoor is het door N-VA-kamerlid Danny Pieters uitgewerkt “plan tot aanpassing van het sociaal statuut van de zelfstandigen” zonder twijfel ook geknipt voor artsen. Voor de HIBO’s (Huisartsen in beroepsopleiding), de GSO’s (geneesheren-specialisten in opleiding) en ASO’s (apothekers-specialisten in opleiding) wil de N-VA eenzelfde degelijk sociaal statuut.

De vraag naar een afzonderlijke huisartsenconventie heeft binnen het Belgische systeem weinig of geen zin. Het zal zo al moeilijk genoeg zijn om tot een nieuwe algemene Belgische conventie te komen. De Nieuw-Vlaamse Alliantie kan de concrete verzuchtingen van de huisartsen - voldoende geld om de prioriteiten uit te voeren zoals vastgelegd in het toekomstplan van dokter Van de Meulebroeke - alleen maar onderschrijven, de partij heeft evenwel de grootste twijfel over de haalbaarheid van deze eis, gezien deze zal botsen met de Franstalige onwil om het Belgische gezondheidsbeleid minstens bij te sturen. Binnen het Belgische systeem is geen gezondheidsbeleid mogelijk dat op de instemming van beide landsdelen kan rekenen.

Een en ander leert dat het Belgische overlegsysteem inzake gezondheidsbeleid geen model kan staan voor wat de N-VA voorstaat als “Vlaams gezondheidsbeleid”. In dat Vlaams gezondheidsbeleid moet de Vlaamse huisarts een volwaardige partner zijn - vandaag hebben vier huisartsen zitting in de twaalfkoppige medicomut-commissie voor niet eens vijf procent van het globale gezondheidsbudget - maar ook de rol van de ziekenfondsen in het gezondheidsbeleid moet worden herschreven. De ziekenfondsen moeten terug naar hun oorspronkelijke maatschappelijke opdracht: bijstand voor de zieke, wars van alle commerciële en andere opdrachten die zij zichzelf in de loop der jaren hebben toegeëigend.

De samenleving besteedt jaarlijks heel veel geld aan het overleven van de ziekenfondsen, diezelfde samenleving heeft ook het recht om te weten wat met dat geld gebeurt. De ziekenfondsen kunnen geen staat in de staat zijn, zij moeten toezicht op hun doen en laten dulden en verantwoordelijkheid aanvaarden voor de middelen die de gemeenschap hen ter beschikking stelt. Uiteraard kan Vlaanderen niet aanvaarden dat “Belgische” ziekenfondsen mee het Vlaams gezondheidsbeleid zouden bepalen. Dat moet het werk zijn van “Vlaamse” ziekenfondsen.

Een en ander heeft uiteraard ook veel te maken met de invloed van het privé-initiatief in de gezondheidszorg. Daarbij wordt uiteraard gedacht aan de plaats en de rol van de privé-verzekeringsinstellingen, de tussenkomst van onder meer de apotheek en het privé-laboratorium maar vooral ook de georganiseerde interventie van de farmaceutische nijverheid in gezondheidszorg.

De Nieuw-Vlaamse Alliantie eist een snelle responsabilisering van de farmaceutische industrie en zal erop toezien dat het budget voor de gezondheidszorg niet gebukt gaat onder het winstbejag van enkele farmaceutische bedrijven. Zuiver winstbejag past immers niet in de gezondheidszorg die de N-VA voor ogen heeft. De motivatie voor het voorschrijven van generische geneesmiddelen tot zelfs het “molecule” (basisbestanddeel), het beperken van het bezoek aan huisartsen door vertegenwoordigers… Het zijn maar enkele voorbeelden van ingrepen die het mogelijk moeten maken om de soms agressieve verkoopstechnieken van die industrie in te tomen.

 

7. Conclusie


Bovenstaande schetst de krijtlijnen van een ambitieus plan voor een Vlaamse, sociale en toch kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg voor de 21ste eeuw. Eén groot struikelblok staat vooralsnog de realisatie op het terrein in de weg: de unitaire sociale zekerheid.

De Vlaamse huisarts kan enkel zijn geëigende plaats krijgen indien alvast het gezondheidsbeleid integraal wordt overgeheveld. De N-VA rekent erop dat de Vlaamse meerderheidspartijen woord houden en, conform het Vlaams regeerakkoord, nog deze legislatuur het N-VA-voorstel ondersteunen voor de overheveling van de normerings- en uitvoeringsbevoegdheden inzake het gezondheidsbeleid. Aldus wordt alvast een eerste stap gezet naar een onvermijdelijke finaliteit: Vlaams welzijn in Vlaamse handen.


Barrikadenplein 12 - 1000 Brussel

Tel 02/219 49 30 - Fax 02/217 35 10

secretariaat@n-va.be

www.n-va.be