Feit of fictie

Is er minder jeugdwerkloosheid in Brussel dan in Antwerpen?

‘Warme overdracht’ helpt jongeren bij zoektocht naar job

In juli is de jeugdwerkloosheid in Brussel voor de vijftigste maand op een rij gedaald, berichtte Le Soir begin augustus. De krant baseerde zich daarvoor op cijfers van Actiris, de Brusselse tegenhanger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling ( VDAB De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) is een Vlaamse overheidsdienst die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt samenbrengt, bemiddelt voor werkzoekenden en hen naar werk begeleidt via een traject op maat. In het kader van de zesde staatshervorming werd ook de controle en sanctionering van werkzoekenden, een vroegere RVA-bevoegdheid, in 2016 een taak van de VDAB. De Waalse tegenhanger van de VDAB is Forem en de Brusselse Actiris. VDAB). Opvallend genoeg zou Brussel het in dat opzicht een stuk beter doen dan Antwerpen, de tweede stad van het land, als we de algemeen directeur van Actiris mogen geloven: terwijl de Brusselse jongerenwerkloosheid in juli zakte tot 20,7 procent, bedroeg zij diezelfde maand in Antwerpen nog 27,2 procent.

Vraag is natuurlijk hoe Actiris aan dat percentage komt ...

Incorrect
Gevonden in
LE SOIR - 2/8/2017

De jeugdwerkloosheid is in Brussel zeker niet lager dan in Vlaanderen

In de praktijk blijkt het zo goed als onmogelijk om de Brusselse werkloosheidscijfers van Actiris correct te vergelijken met de Vlaamse en dus ook de Antwerpse cijfers van de VDAB De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) is een Vlaamse overheidsdienst die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt samenbrengt, bemiddelt voor werkzoekenden en hen naar werk begeleidt via een traject op maat. In het kader van de zesde staatshervorming werd ook de controle en sanctionering van werkzoekenden, een vroegere RVA-bevoegdheid, in 2016 een taak van de VDAB. De Waalse tegenhanger van de VDAB is Forem en de Brusselse Actiris. VDAB. Zo rekent Actiris ook alle expats mee tot de beroepsbevolking, wat een aanzienlijk hoger aantal werkende Brusselaars oplevert. De VDAB van zijn kant telt meer leefloongerechtigden mee in zijn statistieken van werkzoekenden, maar ook meer jongeren uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). In juni waren die laatsten goed voor bijna elf procent van de Antwerpse jeugdwerkloosheid.

Daarnaast verloren in Brussel verhoudingsgewijs veel meer jonge werkzoekenden hun uitkering dan in Antwerpen, door de hervorming van de zogenoemde beroepsinschakelingstijd (BIT) en de beperking in de tijd van de inschakelingsuitkering. Zij verdwenen dus wel uit de statistieken van Actiris, maar niet doordat zij een job vonden. Dat wordt ook bevestigd door een recente RVA De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) of Office National de l'Emploi (ONEM) is een federale openbare instelling van Sociale Zekerheid. De RVA past het stelsel van de werkloosheidsverzekering toe en bepaalt onder meer het recht op en de omvang van uitkeringen. De RVA is ook bevoegd voor bepaalde tewerkstellingsmaatregelen en voor het stelsel van tijdskrediet en loopbaanonderbreking. De Belgische federale regelgeving wordt uitgevoerd door de RVA. RVA-studie over werkzoekenden die hun inschakelingsuitkering verloren. Daaruit blijkt dat in Brussel maar liefst 22,4 procent van hen een leefloon ontvangt. In Vlaanderen is dat slechts 9,3 procent.

Dat alles verklaart waarom de VDAB meer jonge werkzoekenden telt dan Actiris. Als Actiris dezelfde methode zou hanteren als de VDAB, dan vielen de cijfers over de Brusselse jeugdwerkloosheid een pak hoger uit dan vandaag. Dat de jeugdwerkloosheid in Brussel lager is dan in Antwerpen, klopt dus niet. Of zoals Le Soir zelf concludeert op zijn website: “Ondanks alle positieve berichten blijven Brussel en Wallonië onder het tewerkstellingsniveau in Vlaanderen.”

Feit of fictie: Stijgt de koopkracht van onze gezinnen?

Gezin met twee kinderen

“Koopkracht blijft dalen sinds 2009” kopt De Standaard op haar website. De redactie van de krant baseert zich voor die stelling op een studie naar de loonevolutie in de 28 EU-landen. Die studie is afkomstig van het Duitse sociaal­economische onderzoeksinstituut WSI: een onderdeel van de Hans Böckler-stichting, die - veelzeggend genoeg - gelinkt is aan de Duitse vakbondskoepel DGB.

Al snel kwam er reactie op die stelling, met name uit academische hoek. “Koopkracht lonen en koopkracht gezinnen zijn natuurlijk geheel verschillende zaken. Laatste blijft globaal stijgen”, nuanceert professor Ive Marx (Universiteit Antwerpen) op Twitter. De koopkracht van de gezinnen hangt onder meer af van het aantal werkenden per gezin, de arbeidsintensiteit, de uitkeringen en de gezinsgrootte.

Correct
over deze onderwerpen: 
Financiën

Onder de regering-Michel stijgt de koopkracht voor het eerst opnieuw sinds 2010

De tweet van professor Marx wordt ook gestaafd door recente cijfers van de Nationale Bank van België: “In 2010 en 2011 verminderde de koopkracht van de huishoudens met 1 % per jaar, waarna deze gedurende drie opeenvolgende jaren stagneerde (van 2012 tot 2014), wat ongezien is vanuit een historisch perspectief. Pas in 2015 nam de koopkracht opnieuw toe, eerst aarzelend (0,6 %) en vervolgens wat sterker in 2016, namelijk met 1,2 %.” Voor alle duidelijkheid: de periode van stagnatie valt samen met het beleid van de regering-Di Rupo. Onder de huidige regering-Michel kent de koopkracht van onze gezinnen opnieuw een stijging.

Bovendien wijst de Nationale Bank erop dat de inkomens en daarmee ook de koopkracht van onze gezinnen de volgende jaren verder zullen stijgen door de bijkomende belastingverlagingen in het kader van de Taxshift Van een ‘taxshift’ of belastingverschuiving is sprake als je een nieuwe belasting invoert of een bestaande verhoogt om een andere belasting te verminderen of te schrappen. De N-VA is voorstander van een verschuiving van de lasten op arbeid naar die op consumptie of milieuvervuiling bijvoorbeeld, maar niet van een belasting die de totale belastingdruk nog doet toenemen. taxshift.

Maar daarmee is alles nog niet gezegd. Ook per Belg stijgt de koopkracht in de periode 2015-2017 immers, met gemiddeld 1,5 procent volgens de Nationale Bank. Ter vergelijking: in de periode 2012-2014, onder de regering-Di Rupo dus, daalde de individuele koopkracht met gemiddeld 1,3 procent.

Stelt de Raad van Europa de Conventie van Genève ter discussie?

In een resolutie, die met een zeer ruime meerderheid is aangenomen in de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, wordt een duidelijke opening gecreëerd om de Conventie van Genève te herinterpreteren. Daarmee onderschrijft dat adviesorgaan van de Raad van Europa de mening van N-VA-voorzitter Bart De Wever. Die stelde als eerste dat internationale verdrag ter discussie tijdens een gastcollege aan de UGent op 22 september 2015.

Althans: zo zien wij dat. Maar volgens Sophie Boucquey, parlementair medewerker van Groen-senator Petra De Sutter, die ook in de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa zetelt, gaat het hier slechts om een “halve waarheid”: de Raad van Europa “vraagt dialoog, geen herziening”. “Schande dat dit gesuggereerd wordt”, voegt zij er zelfs aan toe.

Maar als het hier echt enkel om een vrijblijvende dialoog gaat, waarom stemde Petra De Sutter dan tegen deze resolutie? Sterker nog: waarom vond zij het nodig om vóór een amendement te stemmen dat net díe passage uit de resolutie wou verwijderen waarin sprake is van een dialoog? Een amendement dat veelzeggend genoeg overigens met een ruime meerderheid werd weggestemd.

Correct
over deze onderwerpen: 
Migratie, Asiel, Europees beleid

De interpretatie van de wettelijke bepalingen in die Conventie is duidelijk bespreekbaar voor de Raad van Europa

In de resolutie in kwestie roept de Parlementaire Assemblee de landen die lid zijn van de Raad van Europa letterlijk op om een “dialoog van betekenis” aan te gaan over de interpretatie van de wettelijke bepalingen van het Vluchtelingenverdrag van 1951, met inbegrip van de criteria om in aanmerking te komen voor het vluchtelingenstatuut en de definitie van een veilig Derde land Een land dat geen lidstaat of kandidaat-lidstaat is van de Europese Unie en dat geen lid is van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of de Europese Economische Ruimte (EER). derde land. In die “dialoog van betekenis” moeten ook de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen en andere internationale belanghebbenden worden betrokken.

Nu kan je natuurlijk nog discussiëren over wat zo’n “dialoog van betekenis” precies inhoudt. Feit is in elk geval dat door deze resolutie delen van de Conventie van Genève bespreekbaar worden gesteld die dat voorheen niet waren. En was dát niet net waar Bart De Wever voor pleitte in zijn college aan de UGent in 2015: “Dat we wel degelijk zouden mogen spreken over de Conventie van Genève”?

Bemerk daarbij overigens dat De Wever de erkenning van vluchtelingen op zich tijdens dat college niet in twijfel trekt, net zo min als deze nieuwe resolutie dat doet. Wel had hij ernstige bedenkingen bij de gevolgen van de erkenning van de vluchtelingenstatus, zoals die is vastgelegd in de huidige Conventie. De geopolitieke context waarin dat internationale verdrag werd opgesteld, is vandaag immers niet meer dezelfde.